De vergeten Holocaust

De vergeten Holocaust

Priester Desbois en zijn missie

Sinds 2004 reist de Franse priester Patrick Desbois met zijn team door Oekraïne om onderzoek te doen naar de uitroeiing van de Joden in dat land tijdens de Tweede Wereldoorlog, vanwege het gebrek aan aandacht in Oekraïne en daarbuiten ook wel de vergeten Holocaust genoemd. Het gezelschap bezoekt kleine plattelandsdorpjes en stelt daar aan de bejaarde boerenbevolking telkens dezelfde vraag: “Heeft u hier tijdens de oorlog gewoond?” Wanneer het antwoord bevestigend is, wordt aan de dorpelingen gevraagd of ze zich iets herinneren van wat er indertijd met de Joden uit hun woonplaats gebeurd is. Dan komen de meest gruwelijke herinneringen boven, waarover tientallen jaren lang gezwegen werd.

Patroonhulzen die op 15 april 2006 opgegraven zijn. Foto: Yahad-In unum

Twee dictaturen

Voor de Duitse aanval op de Sovjet-Unie op 22 juni 1941 stond Oekraïne onder Sovjetbewind. In de jaren 1932-1933 werd het land geteisterd door een hongersnood die het leven kostte aan miljoenen burgers. De oorzaak was de door Stalin opgedrongen collectivisering van de landbouw die uitmondde in enorme voedseltekorten. Andere Oekraïners werden gedurende de jaren ’30 slachtoffer van Stalins Grote Terreur, waarbij vaak volkomen onschuldige mensen geëxecuteerd werden of gedeporteerd naar werkkampen in Siberië, omdat ze vals beschuldigd werden van anticommunistische sympathieën, verraad of sabotage. Het wekt dan ook geen verbazing dat na zoveel ellende veel bewoners van Oekraïne de in 1941 binnenvallende Duitse troepen een warm welkom heetten. Ze voelden het als een bevrijding van de Sovjetterreur en hoopten op een onafhankelijk Oekraïne, maar dat was ver van de werkelijkheid. De ene dictatuur verving de ander en aan de terreur en onderdrukking kwam geen eind.

Einsatzgruppen

Veel nationalistische Oekraïners collaboreerden met de Duitse bezetter en er werd zelfs een Oekraïense Waffen-SS divisie opgericht. Maar ondanks deze pogingen om bij de Duitsers in het gevlei te komen, werd een onafhankelijke Oekraïense staat nooit toegestaan door de bezetter. Het grootste deel van Oekraïne werd onder een Duits burgerbestuur geplaatst en voortaan het Reichskommissariat Ukraine genoemd. Net zoals de Sovjets gedaan hadden, werd er door het Duitse bezettingsbestuur meedogenloos opgetreden tegen elke vorm van verzet, maar het was vooral de Joodse gemeenschap van 2,4 miljoen mensen die het meest leed onder de nieuwe bewindhebbers. De troepen van de Wehrmacht werden bij hun opmars in Oekraïne en andere delen van de voormalige Sovjet-Unie gevolgd door zogenoemde Einsatzgruppen, speciale eenheden van de SS die samengesteld waren uit onder meer Duitse politieagenten en soldaten uit de Waffen-SS. Hun opdracht was het elimineren van onder meer communistische partijfunctionarissen, Sovjetcommissarissen, Joden in partij- en staatsinstellingen en saboteurs. Al heel spoedig werd dit uitgebreid naar alle Joden, aanvankelijk enkel volwassen mannen, en later ook bejaarden, vrouwen en kinderen. Dit als onderdeel van Hitlers doelstelling om Europa te ontdoen van de Joden.

De wijze waarop de Einsatzgruppen tewerk gingen, was anders dan die in de vernietigingskampen, zoals Auschwitz, waar de slachtoffers in gaskamers omgebracht werden. De Joodse bewoners werden door de Einsatzgruppen verzameld en moesten één voor één of in kleine groepjes aantreden bij, soms door henzelf gegraven, kuilen. Vervolgens werden ze, om bezuinigingsredenen liefst met één kogel per persoon, geliquideerd door een executiepeloton. Nadat het massagraf gedicht was, trokken de Duitse troepen verder naar het volgende dorpje of stad waar het proces herhaald werd. Volgens sommige schattingen kwamen in heel Oekraïne 1,5 miljoen Joden op deze manier om. De grootste executie in het land vond plaats in Babi Jar, een ravijn in het noordwesten van Kiev. Op 29 en 30 september 1941 werden hier 33.771 Joden vermoord door een eenheid onder leiding van SS-Standartenführer Paul Blobel.

De Joden van Rava-Roeska

Priester Patrick Desbois is hoofd van het bureau van de Franse bisschoppen voor relaties met het Jodendom en voorzitter van de Yahad-In Unum, een initiatief van de katholieke Kerk en het Joodse Wereldcongres om de dialoog en samenwerking tussen beide religies te verbeteren. Zijn belangstelling voor de Holocaust ontwikkelde zich al gedurende zijn jeugd. Zijn grootvader had als Franse soldaat gevangen gezeten in een kamp van de nazi’s in het dorpje Rava-Roeska in het westen van Oekraïne. Over zijn gevangenschap werd in de familie gezwegen, maar eenmaal liet hij zich tegenover zijn kleinzoon ontvallen hoe moeilijk het leven in het kamp was: “[…] er was niets te eten, er was geen water, we aten kruiden en paardenbloemen. Maar voor de anderen was het erger!” Nieuwsgierig wie die anderen waren, bezocht de toen 12-jarige Patrick de plaatselijke bibliotheek. “Voor de eerste maal zag ik foto’s van het concentratiekamp voor Joden in Bergen-Belsen”, zo herinnert de priester zich. “Ik herinner me dat ik het boek dichtsloeg en tegen mezelf zei: ‘Nu begrijp ik het! Nu begrijp ik het geheim van mijn grootvader. De anderen zijn de Joden!’”

Op latere leeftijd volgde Desbois seminars over de Holocaust bij het Israëlische Holocaustherineringsinstituut Yad Vashem en bezocht hij de voormalige vernietigingskampen, waaronder Auschwitz. In 2002 reisde hij voor de eerste keer naar de plek waar zijn grootvader gevangen had gezeten. Nadat hij de locatie van het voormalige kamp gevonden had, besloot hij ook op zoek te gaan naar de Joodse massagraven. Toen hij de burgemeester van Rava-Roeska vroeg waar de Joden begraven zijn, antwoordde die: “Daar weten wij niets van.” Terwijl in West-Europa elke oorlogstragedie gemarkeerd wordt met een oorlogsmonument is er vaak niks dat de locatie van de massagraven in Oekraïne aanwijst. Na jarenlange onderdrukking en meerdere massamoorden kijken veel Oekraïners liever vooruit dan achteruit.

De priester bracht een jaar later opnieuw een bezoek aan Rava-Roeska waar een nieuwe burgemeester aangetreden was. Het stadsbestuur was hem nu wel behulpzaam. De locoburgemeester bracht hem in contact met meerdere getuigen van de executie van de Joden, die hem vergezelden naar het massagraf van de laatste 1.200 Joden uit het kamp in Rava-Roeska. Roerloos luisterde Desbois naar hoe deze oudere mensen hem vertelden over de verschrikkingen waarover ze jarenlang zwegen. “Ik heb gezien hoe de laatste Joden door de Duitsers zijn doodgeschoten”, zo vertelt er één. “Ze werden op een vrachtwagen hierheen gebracht. Ik herinner me het bloed dat na de executie in een stroompje over het pad naar het dorp liep. De Duitsers verlangden van me dat ik het graf met kalk afdekte om de aarde uit te drogen, omdat het zo erg stonk.” Desbois kwam toen tot het besef dat de herinnering aan de genocide niet verloren was en besloot ook op andere plaatsen in Oekraïne met getuigen te spreken en de locaties van massagraven op te sporen om zo deze vergeten Holocaust aan het licht te brengen. Gezien de leeftijd van de getuigen, is het een race tegen de klok.

Veldwerk 

Desbois kan deze omvangrijke taak  niet in zijn eentje aan en stelt een team samen, onder andere bestaande uit de ballistisch expert Mychajlo Stroetynsky, Mischa genoemd. Zijn deskundigheid is vereist bij het onderzoek naar de massagraven. Met een metaaldetector zoekt hij naar patroonhulzen die door het team opgegraven en geteld worden. Mischa weet Duitse patroonhulzen te onderscheiden van Russische aan de hand van de grootte en het merkteken. Zo wordt voorkomen dat een massagraf met slachtoffers van de geheime dienst van de Sovjet-Unie, wordt toegeschreven aan de Einsatzgruppen. Het aantal patroonhulzen geeft een grove benadering van het aantal begraven Joden. Immers, de Duitsers trachtten elk slachtoffer met één kogel te doden. Soms vinden ze patroonhouders voor vijf kogels; dat verklaart waarom de nazi’s Joodse families weleens in groepen van vijf lieten aantreden.

Archiefonderzoek dient ter ondersteuning van het veldwerk. Onder andere wordt gebruik gemaakt van Duits archiefmateriaal en de onderzoeksresultaten van een Sovjetcommissie die al eerder onderzoek deed naar de massagraven. De betrouwbaarheid van het Sovjetonderzoek is echter twijfelachtig, onder andere vanwege hun “onderzoek” naar het door henzelf in 1940 aangerichte bloedbad van Katyn, dat ze met valse bewijsstukken toeschreven aan de nazi’s.

Aktion 1005

Het tellen van de hulzen om het aantal slachtoffers te bepalen is niet helemaal waterdicht, maar er is geen andere geschikte optie. Joodse religieuze wetten verbieden namelijk zelfs de kleinste verplaatsing van stoffelijke resten van Holocaustslachtoffers. Daardoor is het slechts mogelijk om enkel de bovenste laag van een massagraf te openen, en zelfs dat met de grootste behoedzaamheid. In veel gevallen zijn er ook geen stoffelijke resten meer. Dit heeft alles te maken met Aktion 1005, een geheime nazi-operatie onder aanvoering van Paul Blobel.  Doel van de operatie was het uitwissen van alle bewijs voor de massavernietiging van de Joden. “Iedere genocidepleger ontkent zijn genocide,” zo verklaart  Desbois, “en het Derde Rijk besloot met een enorme inzet van mankracht en middelen de sporen van zijn moordpraktijken te wissen.”

Tussen de zomer van 1942 en die van 1943 werden eerst de massagraven bij de vernietigingskampen Belzec, Treblinka en Sobibor opgeruimd. In tegenstelling tot in Auschwitz werden de lijken daar aanvankelijk namelijk niet meteen gecremeerd, maar begraven. De stoffelijke resten werden opgegraven met behulp van graafmachines en vervolgens verbrand op grote brandstapels van spoorwegbielzen. In juni 1943 werd begonnen met het opruimen van de massagraven van de Einsatzgruppen, waaronder die in Oekraïne. Aktion 1005 heeft het bepalen van de slachtofferaantallen bemoeilijkt en Holocaustontkenners in de hand gewerkt (Desbois noemt de operatie “de kraamkamer van de Holocaustontkenning”). Helemaal volledig hebben de nazi’s deze opdracht echter niet kunnen voltooien. Desbois en zijn team vonden bij meerdere massagraven menselijke beenderen, die in de meeste gevallen door grafrovers – op zoek naar gouden vullingen, sieraden en andere waardevolle spullen – opgegraven en respectloos weggesmeten waren.  Meestal was er voor deze dieven echter niks te vinden geweest, aangezien de Duitsers alles van enige waarde al in beslag genomen hadden.

Kindgetuigen

Een ander belangrijk lid uit het team van Desbois is de tolk Svetlana Birjoelova. Niet alleen is zij onmisbaar omdat Desbois de taal van de ondervraagden niet spreekt, ook verstaat ze de kunst om op mensen af te stappen, hun vertrouwen te winnen, en een gesprek te beginnen over een onderwerp waarover mensen liever niet spreken (al wekt in het katholieke westen van Oekraïne ook Desbois’ priesterboordje vertrouwen). De getuigen zijn meestal eenvoudige boeren die tijdens de oorlog kind of jongvolwassen waren. Ze wonen vaak nog in hetzelfde dorp of zelfs in hetzelfde huis als toen. Eén van hen is Nikolaj Olchovski uit Kostjantynivka in de regio Zaporizja. Ten tijde van de gebeurtenissen was hij elf jaar oud. Terwijl hij bezig was de koeien te weiden was hij getuige van de executie van de Joden die in een vlakbij gelegen stad verzameld waren. “Ze brachten […] de Joden te voet hierheen, twee of drie dagen lang”, zo vertelt hij de priester. “Ze lieten ze vanuit de stad hierheen lopen, in vier colonnes, naar de antitankgreppel. En daar verderop in de antitankgreppel hebben ze ze doodgeschoten.”

De oude man herinnert zich nog exact hoe de executie in zijn werk ging. “Ze schoten allemaal tegelijk. Ze stonden op de rand van de greppel, lieten de mensen aantreden en schoten ze door het achterhoofd.” Toen hij het koeienweitje uitliep om het gruwelijke tafereel te bekijken werd hij bijna zelf doodgeschoten. “Een Duitser zag me, greep me en wilde me bij de Joden zetten. Gelukkig was er een Rus bij die de greppel moest dichtgooien, die tegen ze zei: ‘Nee, hij is een Rus.’ Ze joegen me weg, ik ging aan de kant staan en heb alles kunnen zien.” Nikolaj Olchovski was absoluut niet het enige nieuwsgierige kind dat getuige was van de massamoord. Ivan Litsjnitski, geboren in 1931, uit Novozlatopol in de regio Zaporizja klom zelfs, samen met meerdere anderen, op het dak van een huis dat uitkeek op de executieplaats. Hij keek toe hoe de nazi’s de Joden dwongen om de lijken van hun lotgenoten in de groeve recht te leggen. “Ze wisten dat ze daarna zelf werden doodgeschoten, ze verzetten zich niet. Ze legden de lijken recht van de mensen die waren doodgeschoten en werden op hun beurt doodgeschoten.”

De kelder van Sataniv

Wat blijkt uit deze verklaringen is dat de executies niet, zoals nog altijd vaak wordt aangenomen, in het geheim plaatsvonden in ver afgelegen, verlaten bossen. De werkelijkheid is dat in Oekraïne de massamoord veelal plaatsvond op toegankelijke plaatsen onder het toeziend oog van de plaatselijke bevolking, soms zelfs midden in een stad of dorp. Bijvoorbeeld in Sataniv – een plaatsnaam die de priester een ongemakkelijk gevoel bezorgt – waar de Joden uit de stad ingemetseld werden in een kelder onder de marktplaats en vervolgens door rook verstikt werden. Ooggetuigen vertellen dat de Joden vier dagen lang hebben geprobeerd eruit te komen en dat pas op de vijfde dag de stilte intrad. Pas in 1954 werd de kelder geopend.

Collaboratie en dwangarbeid

Behalve passieve toeschouwers waren de Oekraïners ook deelnemers aan de massamoord, zowel vrijwillig als onder dwang. Het Oekraïense nationalisme ging vaak samen met antisemitisme, dat mede ingegeven werd vanuit de veronderstelling dat de Joden aan de touwtjes trokken binnen het Sovjetterreurapparaat. Bij pogroms in West-Oekraïne in 1941 werden meer dan 13.000 Joodse mannen vermoord door bewapende Oekraïners. Veel Oekraïners deden vrijwillig dienst in de politie en hielpen de Einsatzgruppen met het arresteren en bewaken van de Joden of voerden de executies uit. Iwan Demjanjuk is zo iemand. De Oekraïner werd als soldaat uit het Rode Leger krijgsgevangen genomen door de Duitsers en vervolgens door de SS gerekruteerd als Hilfswillige (vrijwillige helper). Zo ontsnapte hij aan de honger en ellende in het krijgsgevangenkamp. Hij zou onder meer dienst gedaan hebben in Sobibor, waar hij meehielp bij het uitroeien van de Joden, hoewel hij dat zelf ontkent. In het voorjaar van 2009 werd hij aan Duitsland uitgeleverd zodat hij terecht kan staan voor de oorlogsmisdaden waarvan hij verdacht wordt. Het proces zal in november beginnen.

De onvrijwillige medewerking van Oekraïners bij de Holocaust kent vele vormen. Mannen werden gedwongen om de kuilen te graven of om de Joden te bewaken, vrouwen moesten koken voor de Duitse troepen en zelfs kinderen werden ingezet. Petrivna uit Ternivka werd als klein meisje ingezet als “aanstampster”: ze moest met haar blote voeten de lichamen in het massagraf aanstampen en er zand overheen gooien, zodat de volgende Joodse slachtoffers gemakkelijker konden gaan liggen. Ze werden liggend neergeschoten, zodat de ruimte in het graf zo praktisch mogelijk benut werd. Omdat de lijken net als sardientjes opgestapeld werden, werd deze methode de Sardinenpackung genoemd. Petrivna herinnert zich nog goed hoe ze samen met andere jonge Oekraïense meisjes na elk salvo de kuil in moest. “We moesten allemaal met onze schoppen de kuil in hollen, de lijken met onze voeten aanstampen, er zand overheen doen en met z’n allen de kuil weer uit klimmen. Veel Joden waren alleen gewond… Het was lastig eroverheen te lopen.”

Rechtvaardigen

Er waren ook Oekraïners die niet lijdzaam toekeken, maar hun Joodse landgenoten te hulp schoten. Op 1 januari 2009 waren er 2.246 Oekraïners door Yad Vashem onderscheiden als “Rechtvaardigen onder de Volkeren” voor het redden van Joden tijdens de oorlog. Reddingspogingen waren niet altijd succesvol, zo ervaart Desbois wanneer hij in Ljoeboml, vlakbij de Poolse grens, aan het sterfbed van een bejaarde vrouw geroepen wordt. De vrouw die elk moment kan sterven wil de priester vertellen over het Joodse meisje dat bij hen wekenlang ondergedoken zat, terwijl de complete Joodse gemeenschap van het dorp al doodgeschoten was. Het meisje had er op den duur genoeg van om alsmaar binnen te zitten en ging op het erf voor het huis spelen. Daar werd ze door passerende Duitse soldaten alsnog doodgeschoten. De dochter van de oude vrouw vertelt: “Mama wilde dat het bekend werd voordat ze doodging. Voor ons was het een tragedie dat het meisje dat we hadden verborgen als een beest voor onze voordeur werd vermoord.”

Doodgewone mannen

Eén van de belangrijkste vragen wat betreft de Holocaust is hoe het mogelijk was dat zoveel mensen bereid waren mee te werken aan de executie van volkomen onschuldige mensen. Christopher R. Browning schrijft in zijn boek “Doodgewone mannen” uit 1992 over hoe weinig weerstand er was binnen de gelederen van het Duitse reserve-politiebataljon 101 om deel te nemen aan massa-executies van Joden in Polen. Browning beschrijft hoe heel gewone huisvaders van middelbare leeftijd opeens in staat bleken om vrouwen, baby’s, bejaarden en zieken te executeren, enkel omdat dit hen opgedragen werd. Ondanks dat ze wel degelijk de keus hadden om wel of niet actief deel te nemen, was het slechts een enkeling die weigerde.

Browning onderbouwt zijn studie met het experiment van Milgram uit 1963. De Amerikaanse psycholoog Stanley Milgram liet proefpersonen gesimuleerde elektrische schokken toebrengen aan een acteur die gilde van de pijn en om hulp riep wanneer de zogenaamde schokken met een steeds hoger voltage aan hem werden toegebracht. Terwijl de proefpersonen niet wisten dat het geen echte schokken betrof, bleek tweederde van hen bereid tot het toebrengen van hevige pijnen aan het “slachtoffer” omdat een “wetenschappelijk gezagspersoon” hen dat opdroeg. De niet bepaald geruststellende conclusie van Milgram: “Het kost niet veel moeite mensen zo ver te brengen dat ze anderen doden.”

Desbois lijkt het eens te zijn met deze visie en beseft dat iedereen “een potentiële aanstichter of aanstoker kan zijn.” Hij schrijft: “Ik ben ervan overtuigd dat er maar één mensheid is, een mensheid die tweejarige kinderen doodschiet […]. Ik maak deel uit van deze mensheid, in voor- en tegenspoed. Het stelt me in staat te onderkennen dat een ideologie op een gegeven moment het bewustzijn zozeer kan misleiden dat elke ethiek overboord wordt gezet en de ander niet meer voor mens wordt gezien.”

Gerechtigheid

Desbois sprak tot dusver met meer dan 950 getuigen en lokaliseerde al ruim 700 massagraven. Afgerond is zijn onderzoek nog lang niet, want wanneer hij klaar is in Oekraïne wil hij zijn missie voortzetten in Wit-Rusland en andere delen van de voormalige Sovjet-Unie. Dit alles in de eerste plaats om recht te doen aan de slachtoffers door aandacht te vragen voor hun vergeten lot. Maar zijn doel is nog ambitieuzer. Hij schrijft hierover: “De waarheid vaststellen betekent ook ons continent leren begrijpen. Hoe kunnen we een gemeenschappelijk Europa bouwen op de veronachtzaming van de genocideslachtoffers, op de veronachtzaming van de lijken van de slachtoffers zonder zo toekomstig grootscheeps onrecht te rechtvaardigen? Geen enkele genocidepleger mag ooit meer kunnen denken dat zijn misdaad onopgemerkt kan blijven. Mijn werk is in de eerste plaats een daad van gerechtigheid jegens de doden, en van maatschappijopbouw, maar ook een daad ter voorkoming van andere genociden. Mijn werk beoogt aan iedere dader de boodschap over te brengen dat, vroeg of laat, uiteindelijk iemand zijn misdaad aan het licht zal brengen.”

Meer informatie:

In september 2009 werd de Nederlandse vertaling van het boek van Patrick Desbois over zijn onderzoek uitgebracht door uitgeverij Verbum. De titel is: “Holocaust door kogels” en het is voor € 19,95 verkrijgbaar in de (online) boekhandel of via www.verbum.nl. Het boek is het 23ste deel van de Verbum Holocaust Bibliotheek, een boekenreeks over de uitroeiing van de Joden door de nazi’s.

Van 10 september tot en met 9 januari 2010 was in het Nationaal Monument Kamp Vught de rondreizende expositie “The Mass Shooting of Jews in Ukraine 1941-1944: The Holocaust by Bullets” te bezoeken. In de expositie werden de resultaten van het onderzoek van Patrick Desbois en zijn team getoond. Naast (historisch) beeldmateriaal werden authentieke objecten zoals (machine-)geweren, hulzen, kogels en kleding tentoongesteld.

Een reactie plaatsen