Verborgen bewijzen van de Holocaust

Verborgen bewijzen van de Holocaust
Archeologisch onderzoek naar de nazi-vernietigingskampen

De toekomst van Holocaustonderzoek, zo noemt de Israëlische archeoloog Yoram Haimi de opgravingen op het terrein van het voormalige Duitse vernietigingskamp Sobibor in Polen. Hij en zijn collega’s proberen de exacte locatie van de gaskamers vast te stellen en de precieze indeling van het kamp in kaart te brengen. Persoonlijke bezittingen van slachtoffers, zoals sieraden, sigarettenkokers en muntjes, worden opgegraven en gedocumenteerd. Archeologisch onderzoek naar vernietigingskampen heeft de afgelopen jaren ook op andere locaties in Polen plaatsgevonden, bijvoorbeeld in Treblinka. De resultaten vormen belangrijk aanvullend bewijs, want tot dusver was de kennis van deze kampen hoofdzakelijk gebaseerd op getuigenissen van daders en overlevenden, die nogal eens op details van elkaar afwijken.

Archeologische opgravingen in Sobibor in 2011. Foto: Wojcieh Mazurek

Sporen uitgewist

Wie na de oorlog zocht naar overblijfselen van de vernietigingskampen Chelmno, Belzec, Sobibor of Treblinka trof slechts verlaten terreinen of vredige natuur aan. Anders dan in Auschwitz of  Majdanek, waar het Rode Leger bij de bevrijding onder meer intacte barakken, restanten van de crematoria en overlevende gevangenen aantrof, resteerden er na de oorlog geen bovengrondse restanten van de overige vier bovengenoemde vernietigingskampen. De nazi’s hadden zorgvuldig alle aan het oppervlak zichtbare sporen van hun misdaden uitgewist. Dat ze in deze kampen bij elkaar naar schatting meer dan 1 miljoen Joodse mensen omgebracht hadden, moest voor altijd voor de wereld verborgen blijven.

Chelmno (Kulmhof in het Duits) was een geval apart. Hier is nooit gebruik gemaakt van gaskamers. Van december 1941 tot september 1942 werden Joden uit de door Duitsland geannexeerde regio Wartheland en Sinti en Roma uit Oostenrijk hier vermoord in zogenoemde gaswagens. Daarna volgden tot maart 1943 nog enkele kleinere transporten. De slachtoffers werden per trein vervoerd naar een station in de buurt van Chelmno en daarna in vrachtwagens vervoerd naar een landhuis in het 300 inwoners tellende dorpje, ook wel “het kasteel” (das Schloss) genoemd. Daar moesten ze hun bezittingen inleveren en zich uitkleden, waarna ze zich zogenaamd moesten wassen. In plaats van dat ze in een wasruimte terecht kwamen, werden ze het laadcompartiment van een vrachtwagen ingestuurd. Nadat de deuren gesloten waren, werd de motor gestart en werden uitlaatgassen het luchtdicht afgesloten laadcompartiment ingeblazen, waarna de inzittenden om het leven kwamen door verstikking. De wagen reed vervolgens naar een klein kamp in het vlakbij gelegen bos waar de lijken aanvankelijk in massagraven begraven werden.

In de zomer van 1944 werd de massamoord in Chelmno hervat. De slachtoffers waren nu Joden afkomstig uit het getto van Lodz. Omdat het landhuis in april 1943 opgeblazen was, kwamen de slachtoffers nu eerst terecht in de kerk om daarna afgevoerd te worden naar het boskamp waar ze werden opgevangen in twee houten barakken en vervolgens vermoord in gaswagens of door executie. Al in het voorjaar van 1942 was men in het boskamp begonnen met het cremeren van de lijken in grote open vuren. De as werd begraven. Net zoals het landhuis in 1943 was opgeblazen werden in 1944 ook de barakken in het boskamp afgebroken. Toen de Duitsers in januari 1945 Chelmno verlieten, lieten ze van de massamoord op meer dan 150.000 Joden, ruim 4.000 Sinti en Roma en een onbekend aantal Sovjet-krijgsgevangenen en andere niet-Joodse slachtoffers geen zichtbare bewijzen na, die door de Sovjet-Unie benut hadden kunnen worden voor anti-Duitse propaganda.

Heroverd door de natuur

In Belzec, Sobibor en Treblinka werden in totaal ongeveer 1,7 miljoen Joden omgebracht. In tegenstelling tot in Chelmno gebeurde dat in deze drie kampen door middel van gaskamers die zich bevonden in een als badhuis gecamoufleerd gebouw dat uiteindelijk in alle kampen van steen gebouwd was. Voor het vergassen van de Joden werd hier geen gebruik gemaakt van Zyklon-B, het pesticide dat in de gaskamers van Auschwitz-Birkenau en Majdanek gebruikt werd, maar van koolmonoxidegas afkomstig uit grote motoren. De drie langs spoorlijnen gelegen kampen waren opgezet tussen november 1941 en mei 1942 in het kader van Aktion Reinhard, de uitroeiing van de Joden in het Generalgouvernement in Polen (de operatie was vernoemd naar het op 4 juni 1942 na een aanslag overleden SS-kopstuk Reinhard Heydrich). Behalve Poolse Joden zouden hier later ook Joden uit West-Europa vergast worden. Zo werden 34.313 Joden uit Nederland naar Sobibor gedeporteerd, waarvan er slechts 18 overleefden.

Met het opgraven en cremeren van de lijken in open vuren en het begraven van de asresten was men in Sobibor al in de zomer van 1942 begonnen. In Belzec en Treblinka zou dat pas later gebeuren, in respectievelijk december 1942 en maart 1943. Nadat er op 2 augustus 1943 in Treblinka en op 14 oktober 1943 in Sobibor gevangenenopstanden waren uitgebroken, waarbij gevangenen ontsnapt waren en bewakers gedood, werd besloten tot de definitieve sluiting van de kampen van Aktion Reinhard. Die waren bovendien overbodig geworden omdat de meeste Joden uit het Generalgouvernement inmiddels omgebracht waren en de capaciteit van Auschwitz toereikend was voor de uitroeiing van de overige Europese Joden.

De gaskamergebouwen in de kampen werden afgebroken, net als de houten barakken die onder andere gebruikt waren als slaap- en werkplaats voor de gevangenen die bijvoorbeeld waren ingezet bij het begraven van de lijken in de massagraven of het verrichten van handwerk, zoals het vervaardigen van sieraden en het vermaken van uniformen voor de bewakers. Ook de prikkeldraadhekken en wachttorens werden verwijderd. Daarna werd de bodem geëgaliseerd en werden jonge sparren ingeplant. De terreinen werden na de oorlog door de natuur heroverd en tot in de jaren 60 herinnerde niets aan de massamoord die op deze locaties plaatsgevonden had.

Plunderaars en andere verstoringen

De eerste opgravingen bij de voormalige vernietigingskampen vonden al snel na de ontmanteling van de kampen, dus nog tijdens de oorlog, plaats. Op zoek naar goud en andere kostbaarheden van de Joden, werden de terreinen uitgekamd door lokale bewoners. In Sobibor waren het Poolse arbeiders in dienst van de nazi’s die het terrein afspeurden en spullen opgroeven, hoewel hen dat later verboden werd. “Soms vonden ze zeer kostbare dingen”, zo meldt een getuige van deze opgravingen, “zoals gouden horloges, gouden munten, roebels, dollars, Oostenrijkse schillingen, zilveren munten”. Hij maakt ook melding van de vondst van trouwringen en de verbrande resten van koffers, kleding en speelgoed. De weer dichtgegooide kuilen die plunderaars achterlieten zorgden voor verstoringen in de bodem die later voor archeologen moeilijk te onderscheiden waren van door de Duitsers nagelaten ondergrondse sporen.

Behalve door lokale plunderaars werden de terreinen na de inname door het Rode Leger ook bezocht door onderzoekers naar oorlogsmisdaden. Ze verrichten hier geen wetenschappelijk onderzoek, maar probeerden bewijs te vergaren voor de misdaden die hier plaatsgevonden hadden. Een Poolse forensische onderzoekscommissie ontdekte bijvoorbeeld in oktober 1945 in Belzec negen massagraven, waarin ze aan de hand van as en botresten het bewijs vond van de moord op duizenden mensen.

Daarna lagen de terreinen er jarenlang verwaarloosd bij. In het naoorlogse communistische Polen was aanvankelijk geen ruimte om het leed van de Joden apart te gedenken. Pas in de jaren 60 werden de eerste gedenktekens geplaatst. Stuk voor stuk bombastische monumenten die zo typerend zijn voor communistische regimes. Om de plek aantrekkelijk te maken voor bezoekers werd het terrein van het voormalige boskamp van Chelmno met bulldozers geëgaliseerd. Daarna werden paden aangelegd en struiken en bomen ingeplant. In Sobibor werd bovenop de massagraven de zogenoemde “asheuvel” aangelegd, een symbolische verwijzing naar de asresten die overbleven van de slachtoffers. Zulke aanpassingen zorgden opnieuw voor verstoringen van de locaties die later archeologisch onderzoek zou bemoeilijken.

Opgravingen in Belzec en Chelmno

Archeologisch onderzoek vond als eerste plaats in Chelmno. Dat gebeurde in drie fases tussen 1986 en 2004 in opdracht van het districtsmuseum in het nabijgelegen Konin. Zowel op de locaties van het kasteel als van het boskamp werden opgravingen gedaan. Opgegraven werden de restanten van de kelderruimtes van het kasteel en de gang waar de Joden doorheen moesten richting de gaswagens. In het bos werden vijf massagraven aangetroffen en acht “objecten”: vermoedelijk de restanten van vier open vuren waarin de lijken gecremeerd waren en vier geïmproviseerde crematoria. Op de verschillende locaties werden allerlei voorwerpen opgegraven die toebehoord hebben aan de slachtoffers, waaronder een mes met een Hebreeuwse inscriptie en wodkaglazen met de inscriptie “Pesach”. Honderden voorwerpen, waaronder kunstgebitten, zilverwerk en potten en pannen, zijn tentoongesteld in het  districtsmuseum en in de Holocaustexpositie van het Imperial War Museum in Londen.

In Belzec vond archeologisch onderzoek plaats van 1997 tot 1999, voordat het terrein volledig werd ingericht als herinneringsplaats, waardoor het tegenwoordig niet langer mogelijk is om hier opgravingen te doen. De uitvoerder was de Poolse archeoloog Andrzej Kola. Hij paste vooral twee technieken toe: grondboringen en opgravingen. Op 2.227 plaatsen verrichtte hij grondboringen en zo kon hij de vermoedelijke locaties van massagraven en gebouwen in kaart brengen. Bij de boringen werden menselijke asresten aangetroffen in massagraven die tot vijf meter diep waren. Acht opgravingen op plaatsen waar gebouwen hadden gestaan werden door Kola gedocumenteerd. De overblijfselen waren slecht geconserveerd, maar hij vermoedde dat hij de restanten had gevonden van de twee gebouwen waarin de gaskamers gevestigd waren. Ook in Belzec werden allerlei gebruiksvoorwerpen aangetroffen, zoals medicijn- en parfumflesjes, metalen doosjes en haarkammen.

Gaskamer of Lazarett?

In 2000 en 2001 verrichtte Andrzej Kola eveneens in Sobibor archeologisch onderzoek. Dezelfde technieken als in Belzec werden toegepast. Door middel van grondboringen werden zeven massagraven van verschillende grootte gelokaliseerd die zich bevonden rond de “asheuvel” die onderdeel uitmaakt van de herinneringsplaats. Bovenin de massagraven werden menselijke asresten aangetroffen, onderin ook botfragmenten. Kola documenteerde de restanten van vijf objecten (A t/m E), waarvan object E volgens hem wel eens de restanten van de gaskamers konden zijn. Gedurende de daaropvolgende jaren tot op heden is het archeologisch onderzoek in Sobibor in fases voortgezet, maar niet langer door Kola. Onder andere de Poolse archeoloog Wojciech Mazurek en zijn Israëlische collega Yoram Haimi namen het van hem over. Niet langer werd er ook gebruik gemaakt van de grondboringen bij de massagraven, want die werden als te controversieel beschouwd. Volgens de joodse religieuze wetten is het immers niet toegestaan om stoffelijke overblijfselen van mensen te verplaatsen en aldus de grafrust te verstoren.

Dat betekent niet dat opgravingen volledig uitgesloten zijn. Buiten de locatie van de massagraven zijn de afgelopen jaren wel opgravingen verricht, omdat de kans dat hier menselijke resten aangetroffen worden klein is. Belangrijke doelen van het archeologische onderzoek in Sobibor van de afgelopen jaren tot op heden is het vaststellen van de exacte grootte van het kamp en het lokaliseren van de gaskamers. Naast vele getuigenissen staan de onderzoekers diverse door overlevenden en bewakers getekende plattegronden ter beschikking, maar die wijken allemaal in details van elkaar af en zijn niet op schaal. Ook twee luchtfoto’s van de Luftwaffe van voor en na het bestaan van het kamp bevatten weliswaar aanwijzingen (zoals de ligging van paden op het kampterrein), maar laten nog veel vragen onbeantwoord. Actuele luchtfoto’s, gemaakt met een weerballon, tonen ook bepaalde sporen. Zo is bijvoorbeeld het gras boven de massagraven groener dan daaromheen.

Behalve getuigenverklaringen, getekende plattegronden en luchtfoto’s zijn er vanaf 2004 tot afgelopen zomer ter plaatse andere gegevens verzameld, mede door gebruik van grondradar en GPS-metingen. Om de omvang van het kamp beter in kaart te brengen is er aan de rand van het terrein met metaaldetectors gezocht naar prikkeldraadresten in boombasten om zo de kampgrens vast te stellen. Aangenomen wordt nu dat het kamp groter was dan eerst werd aangenomen. Opgravingen werden in het bijzonder verricht bij het door Kola aangetroffen object E. Terwijl Kola nog suggereerde dat zich hier mogelijk de gaskamers hebben bevonden, veronderstellen zijn opvolgers op grond van de hier door hen opgegraven 1.830 kogelhulzen dat het gaat om het Lazarett (hospitaal). In plaats van dat patiënten hier medisch behandeld werden, was het de plek waarheen bejaarden, invaliden en zieken meteen bij aankomst werden afgevoerd om geëxecuteerd te worden. Zo werd oponthoud bij het “verwerken” van een transport voorkomen.

De Himmelfahrtstrasse wijst de weg

Ook in Sobibor werden bij opgravingen diverse persoonlijke voorwerpen van slachtoffers gevonden. Na het blootleggen van de zandbodem door de humuslaag te verwijderen worden grote vlakken verder afgegraven en doorzocht met behulp van zeven, geen onbekende werkwijze voor archeologen. Daarbij zijn naast de gebruikelijke voorwerpen, zoals kunstgebitten, parfumflesjes, ringen en horloges, ook enkele bijzondere objecten opgegraven. Een indrukwekkende vondst is een zilveren medaillon met daarop aan de ene kant de naam “Hanna” en aan de andere kant “God” in het Hebreeuws. De tot dusver meest aangrijpende vondst werd afgelopen zomer gedaan: een metalen identificatiekaartje met de naam Lea Judith de la Penha, een zesjarig meisje uit Nederland dat in juli 1943 vermoord werd in het kamp. De Israëlische archeoloog Yoram Haimi noemt haar in de Israëlische krant Haaretz “het symbool van Sobibor”. Veelzeggend voor de nationaliteit van de slachtoffers zijn ook de aangetroffen Poolse, Franse, Tsjechoslowaakse en Nederlandse muntjes.

Afgelopen zomer werd een andere belangrijke ontdekking gedaan. Men stuitte op de restanten van wat waarschijnlijk de Himmelfahrtstrasse (“weg naar de hemel”) was. Dit door getuigen op alle plattegronden opgetekende pad, dat zich ook in Belzec en Treblinka bevond, had een belangrijke functie en werd door de Duitsers ook wel de Schlauch (slang) genoemd. Het pad van ongeveer 240 meter lengte was omheind met prikkeldraadhekken, die gecamoufleerd waren met dennentakken, en verbond Lager II met Lager III. Sobibor was, evenals Belzec en Treblinka, namelijk ingedeeld in verschillende zones of kampen (Lager I t/m IV). Lager I bestond onder andere uit de werkplaatsen voor gevangenen. In Lager II moesten de Joden zich uitkleden en werden hun bezittingen afgenomen en gesorteerd voordat ze vermoord werden in de gaskamer. Lager III bood onder meer ruimte aan de gaskamers en de massagraven. Lager IV werd vanaf de zomer van 1943 aangelegd en had moeten uitgroeien tot een opslagplaats van buitgemaakte munitie (maar zover is het nooit gekomen). De afzonderlijke zones waren strikt van elkaar gescheiden met als doel de vernietigingsfunctie van Sobibor verborgen te houden voor de slachtoffers die arriveerden in het kamp en om zo te voorkomen dat er paniek uitbrak.

Ook de gevangenen uit Lager I en II zagen de gaskamers in principe pas wanneer ze zelf gedood werden. Overlevenden konden dus na de oorlog de locatie van de gaskamers niet precies aanwijzen. De oplossing voor het vinden van de gaskamers ligt in de Himmelfahrtstrasse. Wanneer de slachtoffers zich in Lager II hadden uitgekleed en het haar van de vrouwen voor hergebruik was afgeknipt, werden ze door Oekraïense bewakers dit pad ingedreven. Na het pad uitgelopen te hebben bereikten ze de gaskamers die zich bevonden in een gebouw dat was ingericht als badhuis. Aan de hand van ondergrondse overblijfselen van de hekken langs het pad en de interpretatie van de plattegronden en luchtfoto’s denken de archeologen het laatste traject van de route gevonden te hebben. “We zijn dichtbij de waarheid”, aldus Marek Bem, de vroegere directeur van het Sobibor-museum. Als de archeologen op het juiste spoor zitten, wijst de Himmelfahrtstrasse hen bij toekomstig archeologisch onderzoek naar de exacte locatie van de gaskamers.

Geofysisch onderzoek in Treblinka

Sinds 2010 houdt de Britse forensisch archeologe Caroline Sturdy Colls zich bezig met archeologisch onderzoek in Treblinka. Het is het meest uitvoerige onderzoek sinds het Poolse onderzoek naar oorlogsmisdaden dat hier in 1946 uitgevoerd werd. Toen werden er onder andere fundamenten van gebouwen, overblijfselen van prikkeldraadpalen en menselijke botten aangetroffen. Anders dan in Sobibor worden er in Treblinka tegenwoordig geen opgravingen gedaan en wordt informatie enkel verkregen door middel van zogenaamde geofysische metingen. Een groot deel van het terrein is ingericht als herinneringsplaats en hier zijn opgravingen dus niet meer mogelijk. Het risico is volgens Colls bovendien te groot dat op het terrein menselijke resten worden opgegraven en dat daarmee de grafrust verstoord wordt.

Het zijn moderne technieken als bodemradar en metingen van elektrische weerstand (electric reistance survey) die het mogelijk maken om afwijkingen en contrasten in de bodem te registreren zonder dat er een schep of graafmachine aan te pas komt. Het is niet zo dat dit gedetailleerde en niet mis te verstane weergaven van sporen in de bodem oplevert, want menselijke resten worden er niet apart mee gedetecteerd. Maar door de aangetoonde bodemverstoringen te vergelijken met onder meer luchtfoto’s en resultaten van historisch onderzoek kan toch de locatie van massagraven en de restanten van gebouwen bepaald worden.

Over het feit dat zich onder de grond menselijke resten bevinden, bestaat geen twijfel. In een artikel voor de website van BBC News Magazine schrijft Colls dat na een regenbui botresten zelfs aan het oppervlak zichtbaar zijn. Ook na crematie blijven er namelijk altijd nog botresten over. In de vernietigingskampen werden daarom door de nazi’s machines ingezet voor het verpulveren van botten, maar daarmee was men niet in staat om alle botten volledig tot gruis te reduceren. Tijdens haar onderzoek in Treblinka vond Colls de sporen van meerdere dichtgegooide kuilen. Sommigen waren mogelijk na de oorlog door plunderaars gegraven, maar andere bevonden zich op de plek die door getuigen aangewezen is als de locatie van de massagraven. Eén van de kuilen is 26 meter lang en 17 meter breed. Vlakbij bevinden zich nog vijf kuilen van verschillende grootte. Afgaand op de omvang en de locatie zijn het waarschijnlijk allemaal massagraven. Ook vond de Britse wetenschapster verstoringen die mogelijk wijzen op de locatie van de gaskamers. Haar tot dusver uitgevoerde onderzoek is volgens haar slechts het begin en nader onderzoek is nodig om haar bevindingen te staven.

Tastbare geschiedenis

Het archeologisch onderzoek naar vernietigingskampen is dus in elk geval in Sobibor en Treblinka nog niet beëindigd. Je kunt je afvragen wat het nut is van dit tijdrovende onderzoek. Kunnen archeologen niet beter op zoek gaan naar artefacten uit een verder verleden en deze plaatsen met deze gruwelijke geschiedenis met rust laten? Er zijn echter verschillende argumenten die pleiten voor het voortzetten van het onderzoek. Je zou het kunnen beschouwen als onze menselijke plicht naar de slachtoffers en hun nabestaanden om zoveel mogelijk te willen weten over de plek waar zoveel mensen de laatste minuten van hun leven doormaakten. Archeologisch onderzoek kan bovendien helpen bij het waardig herinneren van de slachtoffers. Zo werd in Sobibor ontdekt dat één van de massagraven zich bevindt onder het wandelpad dat loopt naar de “asheuvel”. Het zou in de toekomst beter zijn om het pad te verplaatsen, zodat bezoekers niet langer oneerbiedig over het massagraf hoeven te lopen. Door de exacte locatie van de gaskamers te bepalen wordt nabestaanden en andere bezoekers ook de gelegenheid gegeven om op de juiste plaats te gedenken.

Ook het opgraven van ogenschijnlijk alledaagse voorwerpen van de slachtoffers kan misschien overbodig lijken, maar de onderzoekers in Sobibor zijn het daar vanzelfsprekend niet mee eens. Het gaat dan wel niet om eeuwenoude kunstvoorwerpen, maar van wetenschappelijke en educatieve waarde zijn ze wel. De voorwerpen vertellen iets over de cultuur en afkomst van de slachtoffers van de kampen. Terwijl bezoekers in Auschwitz de barakken, prikkeldraadhekken en de stapels koffers, prothesen en schoenen kunnen bezichtigen, zijn de opgegraven voorwerpen het enige wat herinnert aan Belzec, Chelmno, Sobibor en Treblinka en hun slachtoffers. Door deze objecten tentoon te stellen wordt de geschiedenis tastbaarder gemaakt, in het bijzonder voor kinderen en toekomstige generaties. Het naamplaatje van het Nederlands-Joodse meisje Lea Judith vertelt zoveel meer dan de bombastische monumenten die ten tijde van het communisme geplaatst werden op de herinneringsterreinen.

Met het opgraven en conserveren van deze spullen moet wel haast gemaakt worden om te voorkomen dat ze vergaan. Maar ook moet verhinderd worden dat ze worden weggehaald door plunderaars en verdwijnen in privécollecties, want naar Holocaustartefacten is tegenwoordig vraag. De onderzoekers in Sobibor ontdekten in 2008 tijdens hun werkzaamheden recent gegraven kuilen in de buurt van de asheuvel. Ook elders zijn soortgelijke gevallen van “grafroof” voorgekomen.

Geen discussie met ontkenners

Je hoeft maar even met Google te zoeken of je stuit op websites waarop Holocaustontkenners met grote stelligheid beweren dat er bij voormalige vernietigingskampen nooit menselijke resten gevonden zijn die wijzen op massamoord. Archeologisch onderzoek weerlegt dit, maar ook zonder de vondst van menselijke resten is het aan de hand van getuigenverklaringen van daders en slachtoffers en andere bronnen onweerlegbaar dat in deze kampen massamoord heeft plaatsgevonden. In een artikel schrijven Wojciech Mazurek en Yoram Haimi en hun collega Isaac Gilead (van de Ben-Gurion Universiteit van de Negev) dan ook dat archeologie geen instrument is, en dat ook niet mag zijn, om ontkenners te laten zien hoe verkeerd ze het hebben. De wetenschappers weigeren hun tijd te verdoen met “debatteren met mensen die denken dat de aarde plat is.” De uitroeiing van de Joden in Sobibor en andere vernietigingskampen is volgens hen “een historisch vastgesteld feit dat niet bewezen hoeft te worden.” Ze vinden dat het  vooral de rol van archeologie is om aanvullende informatie te leveren die kan bijdragen aan het in wetenschappelijke zin reconstrueren van de locaties.

“Ik denk dat de toepassing van archeologie ons de mogelijkheid biedt om informatie te leveren die we eerder niet hadden”, aldus archeoloog Haimi. De Israëlische archeoloog raakte in 2007 bij het onderzoek in Sobibor betrokken nadat hij ontdekt had dat twee ooms van hem hier tijdens de oorlog vermoord werden. Zijn bijdrage aan het onderzoek staat daarom niet enkel in dienst van de wetenschap, maar is ook ter nagedachtenis aan zijn familieleden en de andere slachtoffers. Treblinka-onderzoekster Caroline Sturdy Colls ervaart haar onderzoek eveneens als bijdrage aan het gedenken. “Wanneer de tijd dat deze gebeurtenissen plaatsvonden verstrijkt, de voormalige gevangenen overlijden en er steeds minder mensen leven die een tastbare en directe relatie hebben met dit aspect van de geschiedenis”, zo verklaart ze, “bestaat het risico dat deze plaatsen onopgemerkt blijven en steeds meer in vergetelheid raken of dat het verval toeneemt.” De uitdaging voor de toekomst is volgens haar het vergroten van het “bewustzijn van de waarde en noodzaak van het onderzoek naar fysieke overblijfselen”, in het bijzonder in het belang van educatie, maar ook om de slachtoffers fatsoenlijk te kunnen gedenken.

Bronvermelding:

– Marek Bem & Wojciech Mazurek, Sobibór: archeological research conducted on the site of the former German extermination centre in Sobibór 2000-2011, 2012.

– Isaac Gilead, Yoram Haimi & Wojciech Mazurek, Excavating Nazi Extermination Centres, 2009.

– Caroline Sturdy Colls, Holocaust Archaeology: Archaeological Approaches to Landscapes of Nazi Genocide and Persecution, 2012.

– “Israeli archaeologist digs into Sobibor death camp in search of Nazi killing machines”, Haaretz, 21-08-2012.

– “Treblinka: Revealing the hidden graves of the Holocaust”, BBC News, 23-01-2012.

Met dank aan Wojciech Mazurek  en Caroline Sturdy Colls.

Een reactie plaatsen